Maak 150 ml water lauw in een potje op het vuur en klop hierin met een garde de verse gist goed los. Zorg dat het water lauw blijft (voel met uw vingers) en niet warm, anders zal de gist sterven. Blijf goed kloppen met de
garde.
Doe 300 gram bloem in een kom en voeg er de 70 gram suiker, de eieren en 15 gram boter aan toe. Giet er dan lauwe gistwater bij.
Roer alles met de garde tot een samenhangende massa. Dit wordt de gistende "voordeeg" die straks rustig zal rijzen zodat je een samenhangend, luchtig deeg krijgt.
Vooraleer te laten rijzen, voeg je er de overige 200 gram bloem bij, een snuifje zout en de overige 200 gram boter.
Laat minstens een 15 tal minuten rijzen.
Werk nu al het deeg door elkaar in de kom met de hand.
Voeg indien nodig een extra beetje bloem toe en kneed tot het deeg niet meer aan je vingers plakt.
Strooi wat bloem op een werkvlak en kneed verder met de hand.
Bol het deeg op en
druk tot een ronde uit.
Doe er dan de parelsuiker over, duw in het deeg en
rol het deeg op tot een worst.
Snijd in stukjes van 100 gram en bol ieder stukje op.
Laat de bolletjes minstens 15 minuten rusten onder een natte handdoek tot ze mooi gerezen zijn.